zoeken
knop: zoek

Groene uitvaart Milieuonderzoek

Drie milieuonderzoeken naar uitvaart

plaatje: bulletOnderzoeken TU Delft en TNO
Er zijn drie onderzoeken geweest naar de milieuaspecten van de uitvaart:

  • Onderzoek TU Delft (2005), richtte zich op alle stappen in het proces van de uitvaart. Tevens werd de milieubelasting van twee nieuwe ideeën voor lijkbezorging onderzocht: Vriesdrogen (cryomeren) en lyofiliseren (resomeren).
  • Onderzoek TNO (2011), richtte zich met name op de milieueffecten van twee nieuwe uitvaarttechnieken resomeren en cryomeren vergeleken met begraven en cremeren.
  • Onderzoek TNO (2015), richtte zich op de milieueffecten van resomeren, begraven en cremeren.


Het onderzoek van de TU Delft heeft kort gezegd betrekking op het gehele proces rondom een uitvaart. Het TNO onderzoek heeft alleen de verschillende methodes van lijkbezorging (cremeren, begraven, cryomeren en resomeren) met elkaar vergeleken. Opvallend verschil tussen de onderzoeken is dat de onderzoekers van de TU Delft tot de conclusie kwamen dat de milieubelasting bij begraven, cremeren of resomeren nagenoeg hetzelfde was. Dit in tegenstelling tot de resultaten van de latere TNO onderzoeken. Uit dat onderzoek komt naar voren dat resomeren een significante milieubesparing oplevert ten opzichte van begraven (volgens TNO meest milieubelastend) en cremeren. Cryomeren (vriesdrogen) werd door de TU Delft gezien als de meest slechte optie voor het milieu, maar volgens TNO is deze methode juist minder belastend dan cremeren of begraven.

Hieronder de resultaten van de drie afzonderlijke onderzoeken:

Onderzoek TU Delft (2005)

Het eerste onderzoek naar de milieuaspecten van de uitvaart werd in 2005 gehouden door onderzoekers Han Remmerswaal en Luc van de Heuvel, verbonden aan de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft.

De onderzoekers verrichtten een zogenoemde levenscyclusanalyse (LCA) van de uitvaart. Daarbij werden de milieuaspecten van alle stappen in het proces van de uitvaart onderzocht en volgens de methode ‘Eco-indicator 99’ gewogen en opgeteld. De Eco-indicator 99 methode is een in Nederland ontwikkelde en erkende methode om LCA’s van producten en diensten te maken. Van alle stappen wordt in beeld gebracht wat de milieueffecten zijn.

De onderzoekers hebben berekend dat een uitvaart in totaal zo’n 20 milieupunten kost. Het gedeelte van overlijden tot en met de uitvaartplechtigheid is goed voor 16,5 milieupunten. De methode van lijkbezorging voegt daar nog ruim 4,5 punt aan toe. Hoe meer milieupunten een onderdeel krijgt, hoe slechter dit is voor het milieu. Aan onderstaande specificatie kan dus duidelijk gezien worden waar de meeste winst voor het milieu te behalen is. Dat is het vervoer.
plaatje: bulletMilieupunten onderdelen uitvaart
Omhullen: 2,5
Koelen: 0,4
Kist: 1
Rouwdrukwerk: buiten beschouwing gelaten
Vervoer: 12,6
Bloemen: buiten beschouwing gelaten
Consumpties condoleance: buiten beschouwing gelaten
Begraven: 4,8 (waarvan 2,7 voor ruimtebeslag)
Cremeren: 4,7
Vriesdrogen: 10,7
Hydrolyse: 4,6
Herdenkingsmonument: 1,9
Conclusies

Zoals alle handelingen belast ook de uitvaart het milieu. In het algemeen kun je zeggen dat de milieubelasting in het geval van uitvaarten niet bijzonder groot is. Zeker niet als je het vergelijkt met wat één mens bij leven allemaal opmaakt aan energie en vervuilt aan lucht, water en grond. Maar alle kleine beetjes helpen. En het is een mooie erfenis voor het nageslacht: zo milieuvriendelijk dit leven verlaten. Al is het maar vanwege het goede voorbeeld dat u hiermee geeft aan de échte grootverontreinigers: de levenden.

Een interview met TU Delft onderzoeker Han Remmerswaal over het onderzoek kunt u lezen op de site van TU Delta, het weekblad van de Technische Universiteit Delft.

Onderzoek TNO 2011

Een uitvaart op basis van de nieuwe technologie resomeren levert, in vergelijking met begraven, een significante milieubesparing op. Dit blijkt uit onderzoek door TNO dat in opdracht van Yarden de milieueffecten van twee nieuwe uitvaarttechnieken resomeren en cryomeren, heeft vergeleken met begraven en cremeren.

Volgens het TNO onderzoek is de totale milieu-impact van begraven het grootst, gevolgd door cremeren. De totale milieu-impact bij cryomeren en resomeren is veel kleiner. De externe maatschappelijke kosten (milieubelasting wordt uitgedrukt in externe kosten middels de ‘schaduwprijzenmethode’) bedragen voor begraven € 85, voor cremeren € 30, voor cryomeren € 10 en voor resomeren nagenoeg € 0. Daaruit kan worden opgemaakt dat er bijna geen milieubelasting meer optreedt bij keuze van deze techniek.
Dit onderzoek gaat verder niet in op andere milieubelastende aspecten bij andere zaken die komen kijken bij een uitvaart. Denk dan aan de belasting door vervoer, consumpties, drukwerk, bloemen etc.

Lees hier het hele rapport van TNO Bron: TNO en Yarden.

Onderzoek TNO 2015

TNO heeft in 2015 opnieuw een onderzoek gedaan naar (uitvaart) techniek met de minste impact op het milieu. Opnieuw blijkt dat resomeren de laagste milieu impact heeft. Uit het onderzoek komt verder naar voren dat de verschillen tussen de effecten van begraven en cremeren dichter bij elkaar zijn gekomen ten opzichte van het onderzoek uit 2011.

Klik hier voor het hele TNO onderzoek uit 2015.

Hoe kunnen de resultaten zo verschillen?

De verschillen in de uitkomsten van de drie onderzoeken roepen vragen op. De weging van de milieu(belastende)factoren speelt daarin mogelijk een belangrijke rol. Marjon Weijzen, milieuhygiënist en hoofdredacteur van vakblad Het Uitvaartwezen, schreef er in augustus 2011 een artikel over in dagblad Trouw. Volgens Weijzen zijn de milieufactoren in beide onderzoeken op andere manieren gewogen. In het TNO onderzoek is bijvoorbeeld de recycling van metalen meegenomen. Het gaat dan onder andere om goud (tanden of juwelen) en andere (chirurgische)metalen die in een lichaam zitten. Bij cremeren en resomeren kunnen deze worden opgevangen en gerecycled. Dat kan niet als een overledene wordt begraven want dan verdwijnen deze ‘kostbaarheden’ in de bodem. Resomeren is de beste manier om deze metalen te recyclen, in theorie zou het zelfs kunnen voorkomen dat iemand met heel veel gouden tanden na resomatie een positieve bijdrage levert aan het milieu.

Het onderzoek van TNO merkt begraven als meest ongunstig aan. De natuurstenen monumenten op de graven zijn volgens het TNO onderzoek milieubelastend. Daarnaast vinden zij begraven ‘ongunstig’ omdat er voor elk graf een stuk(je) grond wordt gebruikt. Dit weegt zwaar in het onderzoek, maar ook daar kan je vraagtekens bijzetten. Want wat is de werkelijke ‘schade’ aan het milieu als een stuk(je) grond wordt gebruikt voor een graf? Daarnaast is het zo dat de meeste graven na verloop van tijd worden geruimd. Hierdoor neemt de totale oppervlakte die graven in beslag nemen niet toe. Hoe vaak leest u in de krant dat er weer een nieuwe begraafplaats wordt gerealiseerd? Daarnaast zijn begraafplaatsen vaak prachtige parken waar de natuur(planten en dieren) veel ruimte krijgt. Een andere belasting die begraven ten opzichte van resomeren wordt aangerekend is de kist. Bij begraven gaat die mee de grond in bij resomeren gaat men er van uit dat deze wordt hergebruikt. Dat hergebruik is natuurlijk een mooie gedachte, maar hoe vaak zullen nabestaanden in de praktijk kiezen voor een kist waar al een ander in heeft gelegen?

Marjon Weijzen vraagt zich in haar artikel in Trouw af waarom de tendens dat steeds meer mensen hun as na de crematie laten begraven niet mee is gewogen door TNO. Deze graven nemen ook ruimte in beslag en op deze graven worden net als bij andere graven ook vaak natuurstenen momenten geplaatst. De conclusie van Weijzen is dat de keuze tussen begraven, cremeren, resomeren of cryomeren weinig te maken heeft met het milieu. In alle gevallen blijft de rouwstoet veruit het meest milieubelastend.

Is milieuvriendelijkheid belangrijk voor de uitvaartbranche?

Er bestaat een Stichting Keurmerk Uitvaartzorg (SKU), in het leven geroepen door de twee grote brancheverenigingen in de uitvaartbranche: de Vereniging van Ondernemingen in de Uitvaartbranche (VOU) en de Nederlandse Unie van Erkende Uitvaartondernemingen (De NUVU). Deze twee brancheverenigingen zijn inmiddels gefuseerd tot één organisatie de BGNU.

De eisen waaraan een uitvaartonderneming moet voldoen om het keurmerk te verkrijgen liggen vooral op het gebied van de dienstverlening en de inzichtelijkheid voor de klant in de werkwijze van de onderneming. Milieueisen worden er niet gesteld. In de reclame-uitingen van uitvaartbedrijven spelen ‘milieuvriendelijkheid’ en ‘groen’ ook nauwelijks een rol – een enkele uitzondering daargelaten. Tot nu toe zijn het vooral toeleveranciers (kistenmakers, urnenproducenten) die zich trots als `groen` profileren. Welke bedrijven dat zijn, vindt u in de adressengids van Groene-Uitvaart.nl.

In voorjaar 2014 zag GreenLeave het licht, een initiatief van zes uitvaartondernemers. Doel: inzetten op de Duurzame Uitvaart. GreenLeave wil op een praktische manier invulling geven aan duurzaamheid. Door duurzame producten en diensten aan te bieden op onderdelen van de uitvaart en leveranciers te vragen (nog) duurzamere producten te ontwikkelen.

Lees ook:

Marjon Weijzen, ‘Milieuaspecten van de uitvaart. Heel gemakkelijk milieuvriendelijker’, verschenen in Het Uitvaartwezen, juli/augustus 2005.

Anja Krabben, `Slecht voor het milieu, maar goed voor het welbevinden?`, verschenen in De Begraafplaats, oktober 2011.

Marjon Weijzen, `Begraven is niet slecht voor het milieu`, in Trouw, 16 augustus 2011.